Slovenen in LimburgDe eerste Slovenen waren rond 1900 al in Nederland. Tot 1918 behoorde het huidige Slovenië tot de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. De Slovenen die destijds naar Nederland kwamen hadden daarom niet de Sloveense, maar de Oostenrijkse nationaliteit. De mensen waren arm en leefden vooral van landbouw; industrie was er nauwelijks. De welvaart in andere regio’s trok. Rond 1900 namen de transport- en reiskosten enorm af, en dat maakte het natuurlijk makkelijker om huis en haard te verlaten. Er zijn schattingen dat tussen 1850 en 1914 ongeveer 300.000 Slovenen hun geboortestreek verlieten. Mijnwerkers: Met de buik het brood achterna De opkomst van de mijnindustrie trok vanaf het begin van de 20e eeuw arbeiders aan uit de omliggende landen. In België en Frankrijk was de mijnbouw al verder ontwikkeld. De Limburgse mijnen ontwikkelden zich pas relatief laat. Door de exploitatie van de Staatsmijn Maurits in 1923 kreeg de Limburgse mijnbouw een sterke impuls. Op dat moment waren er acht particuliere mijnen en vier staatsmijnen. Hoewel zich in de jaren twintig van de 20e eeuw een grote stroom arbeiders spontaan had aangemeld in Limburg, voldeed hun aantal niet. De mijnen moesten op zoek naar meer personeel. Vandaar dat Nederland tussen 1927 en 1931 voor het eerst in de geschiedenis actief werknemers wierf in het buitenland. Uiteraard zocht men in de buurlanden naar arbeiders die naar Limburg wilden komen, maar ook verder weg in Polen, Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije, Joegoslavië en Hongarije en later ook in Slovenië. Anders dan voorheen, gaf men de voorkeur aan arbeiders die nog niet eerder in de mijn hadden gewerkt. Men dacht dat deze mensen minder ontworteld – en dus minder onrust veroorzakend – zouden zijn. De eerdere lichting mijnwerkers waren vaak Polen en Duitsers die via het Duitse of Belgische mijngebied naar Limburg kwamen. Deze ontheemde arbeiders werden nogal eens als gevaarlijk beschouwd; zij hadden jaren rond gezworven in Europa en waren betrokken bij rellen en stakingen waardoor zij een slechte reputatie hadden opgebouwd. Door de koempels – mijnwerkers – rechtstreeks uit het land van herkomst te halen, hoopte men een stabielere en rustigere groep mensen binnen te halen. Ook het feit dat bijvoorbeeld de Slovenen en Polen een katholieke achtergrond hadden, speelde een rol bij het werven in deze landen. De aanwezigheid van Slovenen in Limburg bereikte een hoogtepunt in 1929. Toen waren er ongeveer 4.000 Joegoslaven (mannen, vrouwen en kinderen) verspreid over 29 Limburgse gemeentes. De meeste werkten in de mijn, maar er waren er ook die taxichauffeur, caféhouder, kleermaker of fotograaf waren. Verenigingen De allereerste vereniging waar Slovenen lid van waren, was een Oostenrijkse vereniging en stamt nog van voor de Eerste Wereldoorlog, uit een tijd dat in Zuid-Limburg de mijnen tot ontwikkeling kwamen en de nieuwkomers vanuit Duitsland hun geluk kwamen beproeven. Voor de pioniers was het niet gemakkelijk om hun draai te vinden in de chaos van het opkomende industriegebied. De Slovenen van het eerste uur waren in alles op elkaar aangewezen. Zowel voor tips over wonen en werk, als om verhalen kwijt te kunnen en om gevoelens van heimwee te delen. De mannen zochten elkaar op in de vele cafés die de Mijnstreek telde – de sociale omgeving bij uitstek. Toch ontstond na verloop van tijd de behoefte zich te organiseren en samen te zingen of muziek te maken. De eerste échte Sloveense vereniging werd opgericht in 1926 en vernoemd naar de patroonheilige van de mijnwerkers, de Heilige Barbara. Daarna volgden vergelijkbare initiatieven in zeven andere gemeenten waar zich Slovenen gevestigd hadden. Behalve deze St.-Barbaraverenigingen waren er – en zijn er nog steeds – groepjes voor muziek (tamburica), zang (het zangkoor Zvon) en dans. Ook waren er voor de oorlog groepjes Sloveense communisten actief, die in de crisis van de jaren dertig als eerste uitgezet werden. Oorlog Als gevolg van gedwongen ontslagen tijdens de crisis in de jaren dertig werd de Sloveense gemeenschap in Limburg tot de helft teruggebracht. Vrijgezellen en ‘probleemgevallen’ werden als eerste op de trein gezet. Tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten Slovenen zich melden bij Duitse instanties. Zij moesten toetreden tot Duitse (en Italiaanse) organisaties of zich aansluiten bij de Waffen SS of de Schutztruppen – met als bestemming het Oostfront. Alleen de sterksten waren in staat hun rug recht te houden; zij konden neutraal blijven of gingen in het verzet. Na de oorlog kwamen de katholieke Slovenen opnieuw onder druk te staan, nu van de communisten die onder leiding van Tito in het vaderland met geweld de macht hadden gegrepen. Ook in de Limburgse mijnstreek leek het erop dat communisten voet aan de grond zouden krijgen, maar dit gebeurde uiteindelijk niet. Wel keerden in 1947 zo’n 200 Limburgse Slovenen terug naar ‘huis’. Blijven Het transport van 1947 luidde een nieuwe fase in voor de in Limburg achtergebleven Slovenen. De meerderheid van de mensen die toen niet meeging, zou namelijk voorgoed hier blijven. Rust hadden de Slovenen daarna nog steeds niet, want de jaren erna stonden in het teken van een felle strijd tussen de terugvechtende kerkelijke autoriteiten en het Joegoslavische gezantschap in Den Haag. Uiteindelijk verloren de communisten en werd het vooroorlogse katholieke verenigingsleven volledig in ere hersteld. Terwijl de meningen over Tito aanvankelijk zeer verdeeld waren, won hij veel sympathie toen hij zich in de Koude Oorlog steeds onafhankelijker opstelde tegenover Rusland. De president streefde met succes naar het ontwikkelen van een ‘Derde Weg’. Dat was ook van invloed op de houding van Slovenen in de Mijnstreek ten opzichte van het oude vaderland. Zeker toen het reizen van en naar Slovenië langzamerhand gemakkelijker werd. Ook culturele verenigingen kregen nu de kans om in Slovenië op te treden, en omgekeerd traden populaire Sloveense orkesten in Nederland op. Door zulke uitwisselingsprogramma’s kreeg niet alleen het verenigingsleven in Zuid-Limburg een enorme boost, de Sloveense gemeenschap veroverde zo ook een vaste plek in de Limburgse samenleving. Onafhankelijk In 1991 werd Slovenië na een tiendaagse oorlog onafhankelijk. Het zal emigranten overal ter wereld een gevoel van opluchting hebben bezorgd. De strijd om onafhankelijkheid in het oude vaderland zal echter ook tot veel stil verdriet hebben geleid. Niet om het uit elkaar gevallen land, maar omdat de eerste generatie dit niet meer heeft kunnen meemaken. De Sloveense gemeenschap voelde zich van begin af aan nauw verbonden met de Joegoslavische vluchtelingen, maar hield zich ten aanzien van politiek over het geheel genomen op de vlakte. Wat de Limburgse gemeenschap misschien nog wel meer heeft geraakt dan de Sloveense onafhankelijkheid, was de opheffing van die laatste St.-Barbaravereniging in 2001. Hiermee kwam er voorgoed een einde aan het tijdperk van de Sloveense pioniers. De laatste ‘Barbara’ was lange tijd het overkoepelende orgaan dat de Slovenen en hun nakomelingen verbond en bij elkaar bracht. In 2009 zijn er nog twee Sloveense verenigingen actief in de Mijnstreek: de dansgroep Folkorna Skupina Nizozemska en Zvon, het Sloveense zangkoor dat in 2009 maar liefst 80 jaar bestaat! De derde generatie moet het nu overnemen, maar het lijkt erop dat dat niet zal gebeuren. Misschien dat het Sloveense voor de vierde generatie wel weer enig cachet zal krijgen, maar dat zal de toekomst moeten uitwijzen. (Lees meer over de Sloveense geschiedenis en de Sloveense gemeenschap in Limburg in Met de buik het brood achterna. Mijn Sloveense geschiedenis van Milena Mulders (Aksant 2009). Bekijk ook het nieuwsbericht over de presentatie van dit boek in het Limburgs Museum.) |
