1990-hedenHet integratievraagstuk en pendelmigratie: 1990 tot nu De jaren negentig kenmerken zich door gezinsvormende migratie en de toestroom van asielzoekers en vluchtelingen. De gezinsvormende migratie wordt veroorzaakt door een grote groep jongvolwassenen van Turkse en Marokkaanse komaf die hun partners uit het land van herkomst laten komen (vaak bruiden). Zij hechten veel waarde aan een partner die dezelfde culturele en religieuze waarden heeft. Nederland krijgt in de jaren negentig ook te maken met een grote toestroom van vluchtelingen en asielzoekers. In 1992 komen er meer dan 20.000 asielzoekers naar Nederland. Dit aantal loopt in 1994 op tot 52.000, waarna het terugzakt naar 34.000 in 1997. Na Duitsland was Nederland het Europese land dat de meeste asielzoekers opving. De meeste asielzoekers waren afkomstig uit Afghanistan, Somalië, Irak en voormalig Joegoslavië, waar de lokale oorlogssituaties voor de stroom van asielzoekers zorgde. Het debat over de multiculturele samenleving Het integratiedebat woedt sinds 2000 onophoudelijk voort. In dat jaar schreef de PvdA’er en publicist Paul Scheffer zijn beroemd geworden essay ‘Het multiculturele drama’ dat verscheen in NRC Handelsblad. Velen beschouwden zijn stuk als een aanval op de multiculturele samenleving en het linkse beleid dat jarenlang het integratievraagstuk had gedomineerd. Inmiddels beschouwt men Scheffers artikel als een doorbraak in de manier waarop er in de politiek en media over migratie en integratie wordt gesproken. Daar waar men voorheen vooral een struisvogelpolitiek voerde (de overheid negeerde de problemen van migranten en hun integratieproces omdat men er jarenlang vanuit ging dat de gastarbeiders wel zouden vertrekken of dat integratie vanzelf zou gaan), durven politici sinds 2000 explicieter en directer de problematiek rondom de multiculturele samenleving te bespreken. Enerzijds levert dat meer openheid op, anderzijds leidt deze houding ook tot polarisatie en een verhard sociaal klimaat. De aanslagen in de Verenigde Staten in 2001, die van Madrid in juli 2004 en de moord op Theo van Gogh in november 2004 hebben grote invloed (gehad) op de beeldvorming van vreemdelingen, allochtonen en vooral die allochtonen die als moslim worden aangeduid. Rechtse politici als Geert Wilders grijpen deze gebeurtenissen aan om polarisatie tussen ‘moslims’, of ‘allochtonen’ en autochtone Nederlanders op te wekken. Zij roepen op tot een veel strenger en beperkter immigratiebeleid en dan met name voor immigratie vanuit ‘moslimlanden’. De cijfers ondersteunen Wilders’ betoog overigens niet. In 2004 vestigden zich circa 94.000 migranten in Nederland. De herkomstlanden van het grootste deel van deze migranten waren Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, België, de Nederlandse Antillen en Aruba en Polen. De reden van migratie was voor deze groep werk, gezinshereniging/ gezinsvorming, studie en slechts een klein gedeelte vroeg asiel aan. Ook in het nieuwe millennium zullen onze buurlanden waarschijnlijk de grootleveranciers van migranten zijn. De opening van de grenzen in Europa heeft tot gevolg dat de laatste jaren vooral veel Polen en recentelijk ook mensen uit andere Oost-Europese landen tijdelijk in Nederland verblijven of op en neer pendelen. In Polen liggen de lonen aanzienlijk lager en de branches waarin veel Polen werkzaam zijn, hebben in Nederland behoefte aan mankracht. De Polen werken in Limburg vooral in de tuinbouw (aspergestekers, champignonteelt), in de bouw, of als zelfstandig ondernemer (klussenbedrijf). |
